Rummikub, gitaarsolo's en (stil) verzet

Gepubliceerd op 6 februari 2024 om 01:21

Killing in the name of ... "

Het was 2003.We speelden Rummikub. Ik als stagiaire maatschappelijk werk en 7 ‘gasten’ van de arbeidszorgwerkplaats :“’t Fietsateljee”. Eén van de gasten, breedgeschouderd, twee koppen groter dan de stagiaire en tatoeages herleidde het refrein van de bekende Rage Against the Machine song naar een mantra met een opvallend – toch voor zijn imposante gestalte - hoog stemgeluid.

“Some of those that work forces

are the same that burn crosses.

De mantra vermengde zich met de gezelligheid van de middagpauze en het typische klaterende geluid van gerangschikte rummikub blokjes. De mantra viel even stil.... De man richtte zich tot mij. “Welke muziek vind jij goed Peter?

Op de hogeschool oefen je rollenspelen, zelfreflectie, slecht nieuws- en andere gesprekken in een bijna klinische safe space... Maar een gesprek over muziek, tijdens een chaotische middagpauze, met een Rage Against the Machine mantra op de achtergrond, tijdens een Rummikub spel, half opgegeten boterhammen op tafel... dat viel ver buiten de in de opleiding zorgvuldig opgebouwde comfortzone.
Ik vertelde enthousiast over gitaarmuziek en noemde enkele luidruchtige groepen. De man knikte goedkeurend, legde vier maal zes in verschillende kleuren... en sprong triomfantelijk recht:

“.....yeah..... tumdumdumdum (luchtgitaar)”….

Hoe ogenschijnlijk banaal en alledaags ook, deze situatie blijft me nog steeds bij. Ik noteerde ze toen met de overdreven heldhaftigheid van een ijverige derdejaarsstudent in mijn reflectieagenda en had het er nog vaak over met de supervisor en stagebegeleider.

Deze situaties zijn een essentieel onderdeel van elke sociaalwerkpraktijk. Niet enkel in de typische praktijken zoals de residentiële jeugdzorg, verenigingen waar armen het woord nemen, buurtwerk en arbeidszorg waar samen spelen, eten en informeel babbels schering en inslag zijn.
Maar ook voor sociaal werkers in organisaties waar deze informele gesprekjes niet echt zichtbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan een maatschappelijk werker van een OCMW, die op de korte wandeling van wachtzaal naar bureau een gesprek aanknoopt over het weer.
Denk ook aan diezelfde maatschappelijk werker die bij het binnenkomen tijdens een huisbezoek een gesprek begint over de familiefoto’s aan de muur terwijl hij zijn jas uitdoet.

Het zijn deze ogenschijnlijk banale gesprekssituaties die de socioloog Richard Sennett in zijn magistrale boek ‘Together’ benoemt als essentieel om empathie te realiseren tussen mensen die niets met elkaar gemeen hebben. Deze informaliteit, of anders gezegd, de vaardigheid om contact te leggen vanuit informele babbels, leidt tot empathie.
Empathie is niet hetzelfde als sympathie. Sympathie vertrekt steeds vanuit je eigen perspectief: ‘Ik voel je pijn’. Sympathie activeert mijn ego en verwijst naar wat ik belangrijk vind.
Empathie legt daarentegen de nadruk op het erkennen wat voor een ander belangrijk is. Bij sympathie projecteer je jezelf op de ander. Bij empathie gaat het over de poging om door de ogen van de ander te kijken, wetende dat dit in realiteit nooit helemaal kan.

Jaren later gebruikten we deze inzichten om de praktijken van buurtwerkers te conceptualiseren als ‘praktijken van informaliteit’. We noteerden toen in het vuistdikke rapport in typische onderzoekstaal dat deze informaliteit noodzakelijk is om nabijheid te realiseren, drempels te verlagen en hulp en dienstverlening toegankelijk te maken. Deze informaliteit is zelfs de basis om politiserende praktijken op te zetten om rechten te realiseren.

Jammer genoeg krijgen deze praktijken te weinig erkenning. Hoewel ze de basis bij uitstek vormen waarop sociaal werk wordt opgebouwd, blijven ze onderbelicht en wordt hun meerwaarde amper onder woorden gebracht. Zelfs in de talrijke methodische handboeken die door sociaal werkers voor sociaal werkers worden geschreven. Zelfs in de opleiding sociaal werk wordt er te weinig aandacht aan besteed. Dat is jammer. Want deze praktijken staan onder druk.
De bescherming van deze praktijken is een strijd waardig. Zeker in tijden waar organisaties experimenteren met allerlei maatregelen om schaarste van middelen op te vangen en hierdoor de vrije gespreksruimte aan banden te leggen.
Daar waar er tijdslimiet wordt opgelegd aan gesprekken.
Daar waar sociaal werkers worden overbelast met bureaucratie, administratie en nutteloze verslaggeving om hun activiteiten te verantwoorden op basis van allerlei onbeduidende cijfergegevens. Daar waar sociaal werkers elke maand een mail krijgen met hun ‘scores’ verwijzende naar het aantal gesprekken en aantal dossiers. 

In deze situaties hebben we sociaal werkers, coördinatoren en leidinggevenden nodig die verzet aantekenen en informaliteit omarmen. Een noodzakelijk, soms stil, maar ook luidruchtig verzet.

…. I don’t do what you tell me”….

 

Peter Raeymaeckers

Biografie:


Peter Raeymaeckers is als professor sociaal werk verbonden aan de master sociaal werk van het Departement sociologie van de Faculteit sociale wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Hij doceert er vakken over sociaalwerkonderzoek en beleidspraktijk. Hij is tevens voorzitter van de facultaire onderwijscommissie. In zijn onderzoek focust hij zich op praktijken van beleidsbeïnvloeding, relatie met de overheid, netwerken van mensen in armoede, evaluatie van sociaalwerkpraktijken en governance van vrijwilligers en professionals.  Hij schreef in 2013 een doctoraat over netwerken tussen hulpverleningsorganisaties en het belang van generalistisch sociaal werk. Samen met diverse collega’s publiceerde hij het boek ‘denken over sociaal werk’ over sociaal werk theorie. Hij studeerde maatschappelijk werk en deed praktijkervaring op in een OCMW en in de arbeidszorg.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.